5. Beroemde bakkers

5.2. De backer van Eeclo

De volgende info is verkregen via de website van de stad Eeklo. Eeklo is een mooi stadje in Vlaanderen, hoofdstad van het Meetjesland, dat bruist van de activiteit. Voor meer info over Eeklo kan je terecht op de website van de stad.

In het Muiderslot in Amsterdam hangt een schilderij daterend uit de tweede helft van de 16de eeuw met als titel : "De Backer van Eelco". Eelco is waarschijnlijk een verschrijving van Eeclo. Het toont het ritueel van het herbakken. In de Middeleeuwen was men ervan overtuigd dat oude, mismaakte en versleten mensen vernieuwd konden worden door het drinken van een levenselixir, het baden in de fontein van de verjonging of het herbakken worden in een oven. Bij het herbakken hakte men het hoofd van de romp, herkneedde en herschilderde men het en bakte men het in een oven. Ondertussen plaatste men een groene kool op het lichaam. De kool was het sysmbool van het ijle, lege hoofd. Na het bakken van het nieuwe hoofd werd dat terug op het lichaam geplaatst en kon men jong en herboren weer verder door het leven gaan.

Het feit dat Eeklo sedert eeuwen bekend staat als de stad van de herbakkers is te danken aan het verhaal in het volksboek "De Vermaekelijke klugt" van 1750. Het vertelt over een radeloze vader die zijn domme zoon al naar Zottegem en het Minnewater gestuurd had om slimmer te worden. Niets mocht echter baten tot iemand hem de raad gaf eens naar Eeklo te gaan want "daar worden hoofden gebakken met gekrulde en platte haren, met schele, loense, lodderige en lepe ogen, zwarte en andere kunt ge er ook krijgen volgens uw goesting en smaak." Zo gezegd zo gedaan en volgens de legende ging de zoon nadien naar Parijs waar hij "uitblonk in zijn studiŽn door zijn wijsheid en geleerdheid."

Deze legende wordt in Eeklo levendig gehouden door de plaatselijke dienst voor toerisme die jaarlijks verdienstelijke Eeklonaars tot ridder slaat in de "Orde van Eeklooschen Herbacker", en vijfjaarlijks een herbakkersfeest organiseert waar iedereen zich kan laten herbakken.

Volgens de legende zou je bij de bakker van Eeklo terecht kunnen als je hoofd je niet beviel. Dit werd dan afgehakt en zolang vervangen door een kool terwijl het hoofd herbakken werd. Het thema van het herbakken genoot in de 16de en 17de eeuw een zekere populariteit evenals een hele reeks andere "behandelingen" waardoor men onger, mooier of slimmer kon worden. Niet alleen de bakkers werden daarbij ingezet maar ook de smeden, de molenaars, de houtbewerkers, de pottenbakkers en allerhande kwakzalvers.

Mensen werden door de behandeling van hun vermeende kwalen verlost. De aard van die kwalen werd bepaald door de opvattingen, normen en waarden van de maatschappij waarin deze thematiek actueel was. Van oorsprong was het herbakken een allegorie op de louterende werking van het vagevuur. Later waren het de overtreders van het burgerfatsoen die moesten worden herbakken. Tot deze groep behoorden uiteraard de overspeligen, de horendragers, de vrouwen met de broek aan, oneerlijke kooplieden en de niet voor hun taak geschikte magistraten. Vandaag de dag sluit ze meer aan bij onze moraal : kinderen worden voorgehouden dat ze maar beter tevreden kunnen zijn met hun eigen hoofd want de kans is groot dat je van de bakker terugkomt als een heethoofd, een misbaksel of een halve gare.

De legende van de herbakker is een leuk verhaal maar is lang niet de enige historische waarheid over de eeklose bakker. Dit blijkt uit de volgende bijdrage van Romano Tondat. In het tijdschrift "Ons Meetjesland" werd de historische betekenis van de herbakker van Eeklo in zijn juiste historische context geplaatst want Eeklo werd pas een "herbakker" nadat het eerst zelf zwaar werd "dobbelgebakken".

Er waren in de Middeleeuwen nogal wat gerechtelijke strubbelingen tussen de heren van Maldegem en de stad Eeklo en zijn bevolking. Onderzoek naar de oorsprong van de vele gerechtelijke betwistingen tussen Eeklo en Maldegem resulteerde in verrassende vaststellingen. Aan de bais lagen de verschillende gerechtelijke conflicten tussen de heren van Maldegem en het grafelijk paar Ferrand van Portugal en gravin Johanna van Constantinopel. Al in 1220 dwong de heer van Maldegem de gravin tot een een gerechtelijke procedure, waarbij Filips, de heer van Maldegem, werd veroordeeld. Het vonnis viel op de zondag na 1 januari 1220 en luidde als volgt :

Jan van Nesle, schout te Brugge, maakt aan iedereen bekend dat Johanna, gravin van Vlaanderen en Henegouwen, uitspraak heeft gedaan over het innen van belastingen door Filips, schout te Maldegem. De voornoemde Johanna heeft gezegd dat de genoemde Filips geen enkel recht had aangaande het aanstellen of afzetten van schepenen te Maldegem en geen enkel recht heeft op enige rechtsmacht om mensen te veroordelen of op enige rechtsmacht die met vuur gebeurt of op het innen van belastingen op de mensen van Maldegem. De gravin mag het recht naar eigen goeddunken wel uitoefenen over haar onderdanen, die zowel in de hogere als in de lagere rechtsmacht en over wij zij wil.

De gravin heeft Filips ook opdracht gegeven zich niet te benmoeien met voormelde betwistingen. De genoemde Filips heeft beloofd nooit meer tegen deze uitspraak te zullen zondigen. Hij heeft daarvoor volgende borgpersonen opgegeven : Philippus de Wastina, Johannes de Maghelines, Walterus de Werin en Gerardus de Olsena, die zich met al hun bezittingen en goederen borg stellen.

Jan van Nelse, die betrokken was bij het bepalen van dit vonnis en verantwoordelijk was voor het uitvoeren ervan, heeft op vraag van de gravin zijn zegel aan het schrift gehecht en hem aan Filips van Maldegem overhandigd. Deze overeenkomst werd bezegeld in de maand januari op de zondag na de Besnijdenis in het jaar onzes Heren 1220.

De betwistingen tussen de heer van Maldegem en de graaf van Vlaanderen bleven aanslepen. De graaf werd zelf verplicht scheidsrechterlijke procedures te aanvaarden waarbij de heer van Maldegem eisen steld, die evenwel bij deze scheidsrechterlijke uitspraken werden afgewezen. Uiteindelijk nam de graaf Thomas van Savoye een kordate beslissing : op het door de heer van Maldegem betwiste gebied en een groot gedeelte van het Maldegemse grondgebied richtte hij in 1240 het Nieuw Eeklo op, met de uiteindelijke bedoeling de vele aanmatigheden van de heren van Maldegem te neutraliseren. Deze grafelijke tussenkomst zou eeuwenlang verstrekkende gevolgen hebben.

Ondanks de soms onderdanige houding van Eeklo tegenover Maldegem was de gerechtelijke bijstand van de Raad van Vlaanderen dikwijls nog nodig om Eeklo te beschermen. De geregelde processen tussen beide leefkernen - meestal in gang gestoken door Maldegem - werden steeds door Eeklo gewonnen. Maldegem, dat het soms zeer moeilijk had met zijn verloren processen schrok er niet voor terug om zich in beroep tot het parlement in Parijs te wenden. Maar dat mondde meestal uit in voor Maldegem vernederende processen. Deze processen, die ook nog handen vol geld kostten, moesten dan nog telkens betaald worden door de inwoners van Maldegem en Eeklo kon zijn gemaakte kosten recupereren.

De eeuwenlange grafelijke ondersteuning zorgde er voor dat Eeklo al vroeg een centrumfunctie verwierf. Dat bracht met zich mee dat Eeklo zich soms arrogant opstelde. In 1454 werd er door twee leden van een Eeklose familie een moord gepleegd. De normale grafelijke gerechtelijke maatregels werden door het Eeklose stadsbestuur tot driemaal toe tegengewerkt. Het gevolg was dat Eeklo een zeer zware vernederende veroordeling moest slikken. De graaf van Vlaanderen veroordeelde zijn "stedeke" tot een geldboete van 500 gouden kronen en tot een algemene openbare processie in de parochiekerk. Daar moesten het schepencollege en tweehonderd notabelen van de stad geknield om "erbarm" smeken voor de graaf of zijn vertegenwoordiger. Het vonnis werd uitgesproken in Brugge op 14 april 1458. De parochiekerk zat uiteraard stampvol met volk uit Maldegem en omgeving.

De dubbele vernedering (geldboete en om "erbarm" of medelijden smeken) werd nog nog gevolgd door een derde openbare vendering toen Eeklo zijn boete niet tijdig kon vereffenen. Er werd daarvoor in Brugge een lenig afgesloten. De voorziene afbetalingen konden echter niet tijdig gebeuren waardoor de Eeklose burgemeester en schepenen gevangen werden gezet in Brugge.

De grootste morele kaakslag kregen Eeklo en zijn bevolking op 24 februari 1459. Dat was de eerste vastenavond na de Eeklose veroordeling door de Raad van Vlaanderen. Op die dag (24 in sporcle = 24 februari) kwam een grote menigte van Maldegem met genoegen "rijen" (= rijdansen) en andere "esbatements" (= toneeltjes opvoeren) bedrijven in Eeklo. Er werd veel gelachen en gespot maar op Vastenavond kon dat omdat dan, enkele uren per jaar, het volk meester was van de straat.

Ook merkwaardig is dat er voor 1500 nooit sprake is geweest van het herbakken in Eeklo. Het is pas in de 16de eeuw dat het Brugse volkszeisel "naar Eeklo gaan om zich te laten herbakken" in voege kwam. De wijze waarop Eeklo tot stand kwam, zijn verdere ontwikkeling, zijn gerechtelijke arrogantie die werd gecounterd door zijn eigen heer en meester, de graaf van Vlaanderen, de openbare vernederingen (die duidelijk werden gevierd door de buren uit Maldegem), bewijzen dat de stad Eeklo enkele keren dobbel werden gebakken, waardoor de stad terecht de naam van de Herbakker verdiende.



e-mail
NoŽl Haegens

Home